peddelen in het nieuwsZomaar wat verhalenDe Rijn overzicht Vraag Baak


nog meer verhalen
Zomaar wat verhalen


 

Om te overdenken: een alledaagse tragedie:



 

Op één van de vele Biesbosch strandjes zat ik me te warmen in de eerste zonnestralen  van de dag. Er hing nog wat nevel, de dauw glinsterde nog om me heen, maar dat zou snel afgelopen zijn: Het ging weer een  mooie, warme zomerdag worden.

Het was nog stil: Om zes uur 's morgens liggen de toeristen nog hun roes uit te slapen. Een  vroege visser pruttelde langs en zwaaide naar me. Ik groette niet terug: Ik groet geen dierenbeulen. Een bever zwom voorbij  met drie kleintjes vlak erachter.

Ik zwaaide, maar ze groetten niet terug: Bevers groeten niemand. Het gaf niet: De ochtend  was mooi en stil, de koffie was vers, de sigaret smaakte naar meer.    De vrede werd wreed verstoord door het hardste geluid  dat ik ooit gehoord heb. Een speedboot kwam voorbij met een geluid alsof hij door de geluidsbarriere ging. Ik morste koffie  over m'n broek maar had geen tijd daar aandacht aan te besteden: De hekgolf van de gemotoriseerde gek dreigde mijn kayak vol  water te slaan. Toen ik alles weer onder controle had, een minuut of wat later, was de vrede weergekeerd. De nevel hing nog  steeds over het water, de dauw glinsterde. Alleen had ik een koffievlek in mijn broek, natte voeten, een lege koffie kop en  zwommen drie kleine bevertjes zonder moeder verdwaasd in het rond.    Je kent me. Je kan je voorstellen hoe ik zonder aarzelen  het ijskoude water indook en seconden later bovenkwam met de zwaargewonde bever. Je ziet voor je hoe ik de mond-op-mond beademing  al begon in het water en voortzette terwijl ik met bever en al de kant op klom. Je ziet me wanhopig in de weer met een EHBO-trommel.  Je leeft met me mee als ik de strijd opgeef, als ik de bever op de grond laat zakken terwijl mijn tranen zich vermengen met  zijn bloed.

Minutenlang bleef ik zitten, gebogen over de dode bever. Toen vermande ik me en begon een kuil te graven.    Het  is nu bijna een jaar geleden, maar nog steeds gaat er geen dag voorbij zonder dat ik denk aan de dode moeder en haar ongelukkige  kleintjes.

Iedere dag als ik thuiskom en de berg hout bij de voordeur heb overwonnen, als ik ga zitten op een stoel zonder  poten en een asbak zoek tussen de restanten van mijn tafel, als ik besprongen wordt door drie dolblije bevers die mij zien  als hun adoptie-moeder, dan voel ik even mijn hart zwaar worden. Eens zullen die bevertjes op eigen benen moeten staan, maar  kan ik ze leren hoe je als bever in de Biesbosch moet overleven? Moet ik mijn kinderen een toeristische hel en een gewelddadige dood tegemoet sturen? Moet ik ze naar Zweden brengen en hopen dat ze de winters daar kunnen trotseren, na een winter bij mijn warme kachel?    Misschien moet ik mijn baan maar opzeggen en een sloopbedrijfje beginnen, dan kunnen ze een handje helpen en misschien later de zaak overnemen. Dat heeft geen haast. Eerst moet ik mijn vloerbalken eens laten vervangen door betonnen balken: De vloer begint wat dunnetjes aan te voelen. Ik vroeg me al een paar dagen af waar al dat hout bij de voordeur toch vandaan kwam...Wat gaat de tijd toch snel! Het lijkt als de dag van gisteren dat drie  kleine bevertjes mijn huisraad sloopten, toch zijn het ondertussen drie volwassen bevers geworden.


Ze wonen allang niet meer  bij mij thuis. Ze hebben hun leven in eigen hand genomen.    Er kwam een moment dat de bevers in de spiegel keken en de logische  vraag stelden: "Hoe kan een bever van één meter vijftig zonder staart onze vader zijn?" Ik  heb ze uitgelegd wat er gebeurd was met hun moeder. Ze hebben mij vriendelijk bedankt voor de goede zorgen en de wijze lessen,  hebben mijn pacifistische inslag overwogen en verworpen  en hebben wraak gezworen op de moordenaar van hun moeder.    De School  voor Internationaal Terrorisme in Ierland hebben ze  inmiddels met succes doorlopen. Als dank voor mijn opvoeding werd ik  uitgenodigd bij de feestelijke presentatie van hun afstudeerproject:  Een speedboot-val. In de Biesbosch natuurlijk. Ik kreeg  zelfs een kleine rol toebedeeld in het project. Als lokeend.    Het  idee was even eenvoudig als doeltreffend. Als lokeend  zat ik op een strandje, op een tuinstoel naast mijn kayak, in driedelig  pak. Mijn rol was wachten tot een speedboot-bestuurder mij groette, om terug te groeten met een geheven middelvinger en een  krakende belediging. Gekken in speedboten zijn uiterst gevoelig voor dat soort gedrag, als een stier voor een rode lap. Bovendien  zijn ze heerlijk voorspelbaar. Als iemand in een keurig pak ze beledigd, dan zullen ze er zo hard mogelijk vlak langs varen  en vlak ernaast een scherpe bocht trekken om een mooie golf te maken, zodat het slachtoffer druipend achterblijft. Ze moesten  die bocht dus vlak bij mijn strandje maken, met hoge snelheid, niet wetend dat mijn bevers daar een kubieke meter beton hadden  afgezonken. De boot zou door de klap uit het water komen, niet meer in staat zijn de bocht te maken en over mijn hoofd de  struiken invliegen, meteen de weg vrijmakent voor de volgende.    Ik moet zeggen: Ik maakte me een beetje zorgen over het  plan. Er vliegen niet dagelijks speedboten over me heen. Volgens de berekeningen zouden ze keurig over mijn hoofd gaan, maar  ik ben zelf engineer, ik heb niet veel vertrouwen in berekeningen. Bij de eerste drie boten dook ik in elkaar en zag mijn  leven aan me voorbij trekken, maar daarna won het vertrouwen en kon ik ten volle genieten van het spektakel. Ik had soms nauwelijks  tijd om bij te komen van het lachen voor het volgende slachtoffer zich aandiende en ik weer met een serieus gezicht mijn vinger  moest heffen. Ik heb nooit zoiets grappig's gezien als het gezicht van een schipper die opeens te hoog vaart. Het was meer  dan grappig. De hele klimax van het aanzwellende gejengel van een motor, daarna de klap op het blok, het suizen door de lucht  en de krakende klap op de berg soortgenoten is van een ultieme schoonheid die me raakte in het diepst van mijn hart. Vaak  voelde ik tranen van ontroering in mijn ogen.    Natuurlijk zijn mijn bevers met vlag en wimpel geslaagd. Ze hebben besloten  zich weer te vestigen in de Biesbosch: Ze zijn weerbaar genoeg om daar te overleven. Geregeld wordt ik uitgenodigd om een  nieuwe stunt bij te wonen, of gewoon om lekker een wilgetakje te komen knagen in hun burcht.

 

 

Één richtingsverkeer





Afgelopen zondag stond ik me met vier vrienden voor te bereiden op een kayakwedstrijdje. In een stralend  zonnetje met windkracht 2 stonden we ons te kleden in reddingsvesten, helmen en diverse lichaamsbeschermers. Gebitsbeschermers  werden vergeleken, peddels nog even bijgeslepen, testamenten werden bijgewerkt. En dat allemaal bij een stilstaand modderslootje  in Overijssel.

Lijkt je dat overdreven voor een tochtje door de polder? Dacht je dat Nederland geen wildwater kende, dat  je in onze prut-slootjes geen helm nodig had? Dan ben je nog nooit in Giethoorn geweest. Laat me even uitleggen hoe de vork  in de steel zit.   Een poosje geleden maakte ik een tochtje door de Wieden in Overijssel. Het grootste deel van de tocht leidde  door natuurgebied:

Ruisende rietkragen, zingende vogels en de geur van moerasgas alom. De schok was dan ook groot toen ik  Giethoorn binnenkwam. Door Giethoorn loopt één doorgaande sloot. Die sloot is nogal smal (zowat drie meter)  en zo ontzettend druk  dat er eenrichtingverkeer van gemaakt is. Er zitten zowat 20 kanoverhuurders in het dorp en tussen al  die beginnende kanoers  komt zowat iedere 2 minuten een rondvaartboot voorbij. Soms gaat het allemaal een tijdje goed, maar  als iemand even de kant  raakt of een paar seconden zijn peddel laat rusten onstaat er acuut een kettingbotsing. Die botsingen  zijn heel gemoedelijk:  Iedereen is even vriendelijk en het enthousiasme van de toeristen op de kant is enorm . Ik heb met  veel plezier deelgenomen  aan de chaos en waar mogelijk de chaos versterkt, maar ik hadden niet de juiste uitrusting om het  onderste uit de kan te  halen. Ik voer met een  kwetsbare bootje met een botte peddel en zonder enige bescherming, helaas.  Ik heb onmiddelijk besloten  de tocht nog een keer over te doen met een betere uitrusting en hebben binnen mijn vriendenclub  een nieuwe wedstrijd-discipline  opgezet: De Giethoorn-Cross.

De Giethoorn-Cross wordt gevaren op mooie zondagmiddagen in het  hoogseizoen, tegen het eenrichtingsverkeer  in. De wedstrijd wordt gevaren in wildwaterbootjes, met helmen, schouderbeschermers,  elleboogbeschermers en zwemvesten als  verplichte uitrustingsstukken.

Gebitsbescherming en een stevige metalen peddel wordt  aangeraden. De wedstrijdregels zijn  eenvoudig: Je moet zo snel mogelijk van de start naar de finish komen. Het gebruik van  andere wapens dan een peddel levert  strafseconden op, evenals geweld tussen deelnemers onderling. Verder is alles toegestaan.  Voor het mooiste stukje geweld,  techniek en intimidatie wordt een extra prijs uitgereikt.  De leden van de peddelclub waren  wat huiverig om deel te nemen  aan de eerste wedstrijd, dus ik heb onder vrienden en familie wat competie gezocht. En met succes.  Allen waren aanwezig voor  dit evenement: Henny Brokx, Hans Brokx, Peter Schellekens, Jesaya Mellema en ikzelf.   We hadden  ons dus gekleed in de verplichte  uitrusting, elkaars schouderbeschermers aangestampt, een paar keer geëskimoteerd om  de spieren op de warmen en de hoofden  af te koelen (het was 30 graden die dag) en lagen op de startlijn klaar. Yvonne van  Loon, de nicht van Jesaya, fungeerde  als scheidsrechter.

Ze was nog steeds niet helemaal opgedroogd van het vorige kanotochtje  en wilde deze keer graag boven  water blijven. Ze wachtte op een mooi doelwit voor het startschot.   Yvonne koos een prachtig  houten zeilbootje met een jong  gezinnetje aan boord.

Een goede keus. Ze mistte, maar de verwarring op de zeilboot was zo groot  dat het ding krakend tegen  een betonnen paal voer en zonk. Peter maaide een deuk in de helm van Hans. Dat leverde Peter twee  strafseconden op: Onderling  geweld is niet toegestaan.

Henny boorde zich onmiddelijk in een rondvaartboot. Het gejuich op  de kant was oorverdovend. Samen  met Jesaya lag ik op kop en samen met hem passeerde ik het bord "verboden in te varen": Het  feitelijke begin van de race.  Het moet een ballet hebben geleken zoals we eerst synchroon door een Canadees heengingen en  daarna onder een rondvaartboot  door eskimoteerden.

Ik stak mijn peddel door een houten roeibootje heen maar kreeg mijn peddel  niet terug: Het ding zat vast  in het hout. Terwijl ik bezig was het gat te vergroten om mijn peddel terug te krijgen schoot  Henny ondersteboven onder me  door. Peter was ook weer terug in de race, maar net op tijd kwam mijn peddel los en schoot door  in de pijler van een brug  die pal boven Peter instortte. Het kostte hem seconden om zich te bevrijden uit het wrakhout, dus  ik wist hem voor te blijven.  Hans sprintte over het wrakhout heen maar werd keurig gestopt door een toerist die samen met  de brug in het water was gestort.  Het publiek was uitzinnig van vreugde over de strijd tussen Hans en de toerist.   Ondertussen  was ik het eerste serieuze  obstakel tegengekomen:

Een jacht dat te diep lag om onderdoor te kunnen. Henny was er al langs  door z'n boot de wal op te  varen en drie meter over de beschoeing te glijden. Ik besloot dat intimidatie het beste wapen was  in dit geval. Ik stond  op in mijn boot, hief de peddel dreigend boven mijn hoofd, trok mijn lelijkste gezicht en riep met een  woeste stem:   "BAKBOORD!"  "Bakboord" is een krachtterm die door zeilers onderling wordt gebruikt en die kan betekenen "Mijn  zeil staat uit over bakboord,  dus ik heb voorrang", maar die ook kan betekenen "Maak dat je wegkomt met je vieze huurbak of  ik stamp je vaantje zo diep  door je strot dat je nog twee weken windvlagen schijt". Schippers van motorboten weten niets van  zeilen, begrijpen dus niets  van deze krachtterm en hebben dus geen enkel verweer. De schipper waar ik tegen schreeuwde stond nog  naar adem te happen toen  ik door z'n kajuit voer, onderweg een kop koffie van hem stal en door het achterschip weer naar buiten  kwam. Hij zonk zo  snel dat Jesaya, vlak achter me, al over het dek kon varen. Hij stond al tot z'n lippen in het water toen  hij eindelijk weer een woord kon uitbrengen en me een antwoord gaf: "Watte?" Dat was meteen zijn laatste woord, want hij droeg  geen helm en Peter wilde erlangs. Voor Hans was de weg vrij.   We lagen vlak bij elkaar met z'n vijven, dus er volgde een  spannende eindstrijd.

Gezamenlijk ploegden we door een veld huurkano's, boorden synchroon vijf gaten in een politieboot en  schoten door de finish. Peter won de wedstrijd met een neuslengte voorsprong. Hans kreeg de geweldsprijs voor zijn gevecht  met de toerist, Henny de technieksprijs door drie meter over land te varen, terwijl de intimidatieprijs naar mij ging. Jesaya  kreeg een oorkonde van de plaatselijke politie omdat hij de meeste schade had aangericht.   We hebben allen de overwinningen gevierd  met veel bier en warme shocolademelk met slagroom  en meteen afspraken gemaakt voor de volgende wedstrijd

 

oeps

 

OEPS!!!!    Het zonnetje scheen, de wilgen stonden in bloei, de vogels floten en heel ontspannen dobberde ik in m'n kayak in één van de kleinere kreekjes van de Biesbosch, met m'n ogen dicht, luisterend naar de vogels, ruikend naar de bloemen en diep genietend van de rust.    Die rust is nooit van lange duur in de Biesbosch. Meestal zijn het zatlappen in motorbootjes die de mooiste, stilste plekjes uitzoeken om zoveel mogelijk lawaai, stank en rotzooi te gaan maken. Dat was  het deze keer niet. Het bleek een schreeuwend echtpaar te zijn in een Canadese kano. Ze waren niet dronken, ze schreeuwden niet voor de lol. Ze hadden schreeuwende ruzie over wiens schuld het was als ze tegen de kant botsten.   


Normaal meng ik me niet in andermans ruzies, ik wacht gewoon tot ze voorbij zijn. Deze keer duurde me dat te lang, want ze bléven maar  tegen de kanten varen. Het schoot niet op. Toen ze vlak bij me waren voeren ze ook nog een bos riet in, waardoor een modderige  rietstengel een bruine streep trok over het witte bloesjes van de vrouwelijke helft van het echtpaar. Ze stopten allebei met  peddelen, de man om zijn armen ten hemel te heffen, de vrouw om met een zakdoek de modder nog wat verder uit te smeren. Ze  stopten geen van beiden met schreeuwen, helaas.    Ik ben er maar eens even heen gevaren, om een eind te maken aan de overlast.  Toen ze me in de gaten kregen stopte het geschreeuw, met iets van schaamte.


Ze groetten me zelfs en probeerden me weg te kijken,  maar daar had ik even geen boodschap aan. Ik was niet van plan hun huwelijk te redden, maar ik dacht ze wel genoeg techniek  te kunnen bijbrengen om te zorgen dat ze met een redelijke snelheid konden oprotten. Kortom: Ik groette vriendelijk terug  en vroeg of ik ze wat tips mocht geven over het besturen van een boot.    Hun houding veranderde volkomen.

Van een inbreker  in hun huwelijksproblemen was ik veranderd in een reddende engel. Ze sméékten me om hulp. Lachwekkend en tragisch  tegelijk, maar ook wel heel lief. Ik moest er even van blozen. Ik heb ze een eenvoudige stuurslag uitgelegd en ook voorgedaan.  Ik heb ze uitgelegd dat de achterste persoon stuurt. De vrouw gaf daarbij een blik zo van: "Zie je wel, het was NIET mijn  schuld", maar de man liet het gaan, gelukkig. Ze bedankten me vriendelijk, doken weer op de peddels in het volste vertrouwen  dat het nu goed zou gaan, scheurden de volgende bocht in...    En daar maakte de man een perfecte stuurslag, maar wel aan  de verkeerde kant van de boot. De vrouw zag weer een rietpol op zich afkomen en boog opzij, de man probeerde zijn foute slag  te corrigeren en trok de boot krachtig naar de andere kant, juist op het moment dat de boeg een stevige modderwal raakte...  Ze waren even stil. De man zat nog in de boot, die langzaam onder hem wegzonk.


De vrouw stond, tot haar middel in de prut,  de modder uit haar ogen te wrijven en geschokt te kijken naar de restanten van het witte bloesje. Ik moest me inhouden om  niet te schaterlachen. Even heb ik nog geaarzeld, of ik de schuld op me zou nemen en mijn excuses aanbieden, of ze weer in  hun boot helpen en ze helpen de haven te bereiken. Toen zag ik de vrouw diep inademen voor de volgende schreeuwsessie en ben  maar gewoon naar een ander kreekje gevaren om verder te genieten van de rust. Daarvoor moest ik een behoorlijk eind weg, ze  schreeuwden nog harder dan vóór onze ontmoeting.

 

 

In het putje

 

Zo het Putje in 

 


Het is weer winter in Europa: Het wildwaterseizoen is aangebroken.    Vorig weekend was er nogal wat regen en  natte sneeuw in de Alpen, dus ik ben in mijn eentje die kant op gereden om een beetje te gaan spelevaren in de bergbeekjes.

Het water stond lekker hoog. Ik heb een mooi ruig riviertje uitgezocht om eens stevig aan mijn conditie te kunnen werken. Ik weet niet meer hoe het riviertje heet: Ik weet wel dat het heel hoog in de bergen was, met watervallen van meer dan 10 meter en geweldige troggen, paddestoelen en stoppers. Ik liet me genoeglijk van wat watervalletjes afzeilen, ik tolde een beetje rond in de stoppers en liet me een paar keer onderzuigen in een trechter. Na een paar uur begon ik moe te worden en koud, en was eigenlijk al op weg naar de auto toen ik een trechter tegenkwam die zó onweerstaanbaar was dat ik nog eens diep inademde en volle kracht erin dook.    Door een normale trechter wordt je eerst helemaal naar de bodem gezogen en daar weer uitgespuugd: Je komt gewoon weer boven dobberen. Meestal wordt je aan het oppervlak ook meteen weer de trechter ingezogen: Je hebt net tijd om te eskimoteren en diep in te ademen en je gaat alweer. Ontzettend leuk. Deze keer ging het anders.   De trechter zoog me naar beneden. Ik had verwacht na een paar seconden de bodem te voelen, maar nee: De trechter ging alleen maar dieper en dieper. Op een gegeven moment voelde ik een rots tegen mijn hoofd. Gelukkig droeg ik een helm. Ik probeerde me om te draaien om niet nog een keer met m'n kop ertegenaan te rammen, maar toen ik mijn peddel uitstak sloeg die onmiddelijk tegen een andere rots. Ik haalde uit naar de andere kant: Alweer rots. Eindelijk begon me te dagen wat er aan de hand was: De trechter was het begin van een ondergrondse stroom. Ik werd door een koker in de rotsen dieper en dieper de berg in gezogen! Ik heb een vrij lange adem gelukkig. Ik bukte naar het voordek om m'n gezicht te beschermen tegen de rotsen, legde de peddel langs de boot om niet te blijven haken, en wachtte af. Na minuutje of wat voelde ik opeens lucht, een vrije val, een plons, en ik lag weer op rustig water. In het hardstikke donker. Kennelijk eindigde de stroom in een ondergronds meer, waarop ik nu ronddobberde. De lucht rook muf, ik hoorde overal echo's van klaterend water, maar ik zag geen hand voor ogen.    Gelukkig ben ik een roker: Ik heb altijd een aansteker bij me. Op de tast viste ik het ding op uit een waterdichte tas en stak m'n reservepeddel in de fik om als fakkel te kunnen gebruiken. Zo'n plastic blad geeft een behoorlijke hoop licht en brand lekker lang, maar pas wel op: Er druipt brandend plastic vanaf.    In het licht van de flakkerende vlam zag ik een enorm gewelf om me heen. Ik lag op het midden van een meer, vlak naast de plaats waar het water uit het plafond klaterde.

Aan het plafond hingen druipstenen, sommige tot vlak boven het oppervlak van het meer. Een natuurlijk sprookjespaleis, helemaal voor mij alleen. Ik begon het meer te verkennen, slalommend tussen de druipstenen. Al gauw doolde ik volledig gedesorienteerd rond. Mijn enige houvast was een nauwelijks merkbare stroming die ik volgde, hopelijk naar een uitgang.    Ik naderde de rand van het meer. Ik kon de wanden niet zien, maar ik zag wel dat het plafond steeds lager werd en het oerwoud van druipsteen dichter. De stroom werd iets sterker en eindigde in een trechter, maar veel te zwak om me naar beneden te zuigen. Het was meer een flauwe kuil in het oppervlak, met een trage werveling er omheen. Het moest de uitgang zijn: Mijn enige weg naar buiten.

Geen makkelijke weg deze keer. Als je aanneemt dat er net zo veel water zo'n grot ingaat als dat er uitgaat, dan moest er een behoorlijke uitstroom zijn. Als je dan aan het oppervlak zo weinig ziet van die uitstroom, dan moet het gat verdomd diep onder water zitten, zowat 50 meter schatte ik.    Ondertussen was m'n reservepeddel bijna opgebrand. Ik speurde langs de kanten naar iets brandbaars, en dat was er tenminste genoeg. Ik had gehoopt op wat drijfhout, maar de wildwaterkayaks met skeletten die in overvloed ronddreven voldeden wel zo goed eigenlijk. Allemaal voorgangers van me die hier gestrand waren. Ik stak zo'n skelet aan en liet hem ronddrijven in zijn bootje, brandend als een fakkel. Prachtig gezicht, maar ik was niet zo in de stemming voor een lichtshow. Ik begon een beetje zenuwachtig te worden, eerlijk gezegd.    Ik besloot eerst maar eens te gaan rusten en nadenken. Ik landde op een vlak stuk rots, zette koffie, at een boterhammetje en stak een sigaretje op. En nog een sigaret. En nog één. Het brandende skelet was bijna op, dus ik stak een nieuwe aan. En zette nog een kop koffie. En nog een sigaret. Dat was de laatste: Het pakje was leeg. Het was tijd om actie te ondernemen.    Ik had een plan, maar erg blij was ik er niet mee. Ik laadde mijn bootje zo vol met stukken druipsteen dat het bijna zonk. Ik voer naar het midden van de trechter, haalde een paar keer diep adem en eskimoteerde. De boot liep vol water en zonk als een baksteen door het gewicht van de stenen. Dieper en dieper. Ik klaarde m'n oren een paar keer (Ik heb wat duikervaring gelukkig). Dat deed ik een keer of vijftien, dus het zal inderdaad zowat 50 meter diep zijn geweest. Toen begon ik een zuiging te voelen, eerst aan mijn gezicht en mijn peddel. Vrijwel onmiddelijk werd ik met enorme kracht een gat in gezogen. Aan alle kanten werd ik gebeukt door de rotsen, ik kreeg ademnood, er kwam maar geen eind aan. Ik begon sterretjes te zien en lichtvlekken. Ik dacht al aan de laatste hallucinaties voor mijn tragische einde toen me opeens begon te dagen dat het licht ècht was! Ik was buiten! Alleen lag ik op de bodem van een rivier, in een met honderd kilo stenen verzwaarde boot!    Er was geen tijd om die stenen te dumpen, ik zat aan m'n laatste adem. Ik heb de boot verlaten en gezwommen voor mijn leven. Het oppervlak was gelukkig vlak boven me.

Op een rots aan de waterkant heb ik even uitgerust en ben daarna weer ondergedoken om de boot te redden. Ik had twaalf duiken nodig om alle stenen te lossen, daarna kwam het bootje vanzelf bovendrijven. Ik kon weer varen. Ik had geen idee waar ik was na mijn tocht door het hart van de berg, maar dat loste zich snel op toen ik wat verder stroomafwaarts voer en keurig langs de kant m'n autootje zag staan, vol met droge kleren en pakjes sigaretten.    De volgende dag ben ik lekker gaan wandelen:

Ik had genoeg gevaren voor dat weekend.

 

 









peddelen in het nieuwsZomaar wat verhalenDe Rijn overzicht Vraag Baak